Werkplekleren

Stage lopen via de WUR

Leraar worden leer je vooral door het te doen. Daarom leiden scholen en Wageningen University & Research samen op.

Je vak naar de klas brengen

Studeer je aan Wageningen University & Research? Dan loop je stage tijdens de educatieve minor of module. Hieronder staat hoe dat verloopt.

Je stage

Zo loopt je stage

Educatieve Minor/Module

De Minor Educatie combineert onderwijs aan de WU met intensieve praktijkervaring op een stageschool. Gedurende één semester ontwikkel je je stap voor stap tot docent: van observeren en oefenen met basisvaardigheden tot zelfstandig lesgeven en reflecteren op je professionele ontwikkeling. Theorie, stage, begeleiding en beoordeling zijn daarbij nauw met elkaar verbonden.

01 Kennismaking

Een goede start begint met kennismaken

Kennismakingsgesprek

Ruim voor de start van je stage word je uitgenodigd voor een kennismakingsgesprek op je stageschool. Je maakt kennis met je begeleiders en bespreekt samen hoe je stage eruit gaat zien. Denk aan de klassen waarin je lesgeeft, de begeleiding, stagedagen, lesmaterialen, lesvoorbereidingen en het startgesprek. Soms voer je dit gesprek samen met je medestudent.

  • Start je in september? Plan het kennismakingsgesprek in juni of juli.
  • Start je in februari? Plan het kennismakingsgesprek in december of januari.

Voorbereiding

Bereid je goed voor door de website van de school te bekijken en na te denken over wat jij nodig hebt om goed te kunnen leren tijdens je stage. Vul hiervoor de lijst met aandachtspunten (zie DOCUMENTEN) in en deel deze met je werkplekbegeleider.

Denk daarnaast na over deze vragen:

  • Wat zijn mijn drie belangrijkste aandachtspunten?
  • Wat zeggen die over mij als lerende?
  • Wat heb ik nodig van mijn begeleider?
  • Hoe ziet passende begeleiding voor mij eruit?
  • Hoe en bij wie geef ik aan wat ik nodig heb?

De ingevulde lijst is geen beoordeling, maar een hulpmiddel om vanaf het begin passende begeleiding af te spreken.

02 Start Stage

Ontdek je stageschool

Je stage start met een oriëntatiefase. Tot aan het startgesprek in week 2 of 3 onderzoek je actief hoe de school werkt. Je kijkt onder andere naar de visie van de school, de doelgroep, de samenwerking tussen collega’s en de organisatie.

Om hier een goed beeld van te krijgen, neem je zelf initiatief. Je kunt bijvoorbeeld meelopen met een docent of klas, een collega interviewen, vergaderingen bijwonen, schooldocumenten bestuderen en ervaringen uitwisselen met medestudenten. Stem met je werkplekbegeleider af wat er mogelijk is.

03 Het Startgesprek

Bepaal waar je aan gaat werken

Startgesprek

In week 2 of 3 van je eerste begeleide stage voer je een startgesprek met je werkplekbegeleider en een begeleider vanuit de school of opleiding. Samen bespreek je wie je bent, wat voor docent je wilt worden, waar je naartoe wilt werken en welke stappen daarvoor nodig zijn. Het gesprek duurt ongeveer 45 minuten.

Ter voorbereiding maak je een presentatie van 5 tot 10 minuten waarin je laat zien:

  • wie je bent als persoon, inclusief je kwaliteiten en valkuilen;
  • hoe jij naar het beroep van docent kijkt en waarom je docent wilt worden;
  • wat je tijdens je oriëntatie hebt ontdekt en waar je je verder in wilt verdiepen.

Na het gesprek schrijf je een kort verslag met de belangrijkste inzichten, afspraken over begeleiding en je leerdoelen voor de korte en langere termijn. Op basis daarvan maak je een eerste ontwikkelplan.

Tijdens de stage bespreek je je voortgang regelmatig met je werkplekbegeleider en stel je je leerdoelen waar nodig bij.

04 Begeleiding tijdens je stage

Jouw ontwikkeling

Werkplekbegeleider

Op je stageschool krijg je een werkplekbegeleider (wpb). Deze begeleider helpt je om je weg te vinden binnen de school en ondersteunt je bij het werken aan je persoonlijke leerdoelen.

Elke week hebben jullie een individueel coachgesprek. Daarin bespreek je wat je wilt leren, hoe je wilt leren en in welke situaties je dat gaat oefenen.

Om gericht aan je ontwikkeling te werken, kun je gebruikmaken van verschillende begeleidingsinstrumenten (zie DOCUMENTEN).

Tijdens het eerste deel van je stage (tot aan het TPF) staat je werkplekbegeleider of een collega altijd in de buurt. Via het principe leraar op loopafstand (LOLA) krijg je in het tweede deel (richting EPF) voldoende ruimte om zelfstandig te handelen, terwijl ondersteuning beschikbaar blijft.

Naast je werkplekbegeleider zijn meerdere begeleiders betrokken:

  • De schoolopleider helpt bij schoolgerelateerde vragen, bezoekt lessen en is betrokken bij de beoordeling.
  • De instituutsopleider is je aanspreekpunt voor opleidingsgerelateerde vragen en is betrokken bij onder meer het startgesprek, je stageplan, lesbezoeken en beoordelingen.
05 Lesbezoeken

Leren van lesbezoeken

Lesbezoeken

Tijdens je stage voert je werkplekbegeleider regelmatig lesbezoeken uit. Na afloop bespreek je de les samen na. Je gebruikt de feedback om te reflecteren op je handelen als docent, zicht te krijgen op je ontwikkeling en gericht verder te werken aan je persoonlijke leerdoelen.

Ook de instituutsopleider komt tijdens de stage op lesbezoek. De instituutsopleider observeert een les en bespreekt deze na afloop met jou en je werkplekbegeleider. Dit lesbezoek geeft een aanvullend beeld van je ontwikkeling en wordt meegenomen in de beoordeling van je voortgang richting startbekwaamheid.

06 Samen Leren

Leren binnen de Gelderse Onderwijsvallei

Samen leren binnen de Gelderse Onderwijsvallei

Binnen de Gelderse Onderwijsvallei (GOV) leer je niet alleen op je eigen stageschool, maar ook samen met studenten en begeleiders van andere scholen. De aangesloten scholen hebben ieder een eigen onderwijsvisie, doelgroep en karakter. Door hiermee kennis te maken ontdek je steeds beter welke docent je wilt zijn en welke onderwijscontext bij jou past.

Samen leren op je werkplek

Op je stageschool maak je deel uit van het team en de vaksectie. Door lessen van collega’s te bezoeken, samen te werken en actief om feedback te vragen, ontwikkel je je professionele identiteit en je visie op onderwijs. Met je werkplekbegeleider bespreek je hoe je hierin steeds meer verantwoordelijkheid kunt nemen.

GOV-dagen

Tijdens de GOV-dagen komen studenten en begeleiders uit de Gelderse Onderwijsvallei samen om van en met elkaar te leren. Je maakt kennis met andere scholen en onderwijspraktijken, wisselt ervaringen uit en werkt samen aan thema’s die belangrijk zijn voor je ontwikkeling als docent. Zo verbreed je je blik verder dan je eigen stageschool.

07 POP, TPF en EPF

Evalueren en ontwikkelen

POP, TPF en EPF

Tijdens de minor houd je je ontwikkeling bij in drie belangrijke documenten: het Persoonlijk Ontwikkelplan (POP), het Tussenportfolio (TPF) en het Eindportfolio (EPF). Samen maken ze zichtbaar hoe je gedurende de minor groeit richting het niveau van startbekwaam docent.

POP – Persoonlijk Ontwikkelplan
Aan het einde van de eerste periode stel je je POP op. Hierin reflecteer je op de bekwaamheidseisen en formuleer je persoonlijke leerdoelen voor de rest van de minor. Het POP vormt daarmee de basis voor je verdere ontwikkeling.

TPF – Tussenportfolio
Halverwege de minor maak je in het TPF de balans op. Je laat zien hoe je je hebt ontwikkeld en hoe je aan je leerdoelen hebt gewerkt. Tijdens het bijbehorende voortgangsgesprek bespreek je je ervaringen op school, je ontwikkeling als docent en je leerdoelen voor de tweede helft van de minor. Je krijgt daarbij ook feedback op je voortgang richting startbekwaamheid.

EPF – Eindportfolio
Aan het einde van de minor laat je in het EPF zien welke ontwikkeling je hebt doorgemaakt en onderbouw je met verschillende bewijzen dat je het niveau van startbekwaam docent hebt bereikt. Op basis hiervan vindt een beoordelingsgesprek plaats waarin wordt vastgesteld of je voldoet aan de eisen voor de beperkte tweedegraadsbevoegdheid.

08 Beoordelingen

Laat zien hoe jij je ontwikkelt

Beoordeling

Tijdens de minor wordt je ontwikkeling op verschillende momenten en door verschillende betrokkenen beoordeeld. Daarbij gaat het niet alleen om het eindniveau, maar ook om de groei die je gedurende het semester laat zien en de manier waarop je gericht aan je leerdoelen werkt.

De beoordeling van je stage is gebaseerd op meerdere bronnen, waaronder de Rubric Bekwaamheidseisen, feedback van je werkplekbegeleider, lesobservaties door de instituutsopleider, video-intervisies en gesprekken over je portfolio.

Halverwege de minor geeft de werkplekbegeleider aan of er voldoende vertrouwen is in een succesvolle afronding. Aan het einde beoordeelt de werkplekbegeleider of je volgens hem of haar startbekwaam bent. Ook de instituutsopleider en een tweede beoordelaar zijn betrokken bij de beoordeling. De definitieve oordelen worden binnen het minorteam besproken en gekalibreerd.

Om de minor succesvol af te ronden moeten alle vakken voldoende zijn afgerond en moet je uiteindelijk als startbekwaam worden beoordeeld door zowel de werkplekbegeleider als de docenten van ELS.

09 Evaluatie

Help het werkplekleren te verbeteren

De WU werkt voor de begeleiding van studenten op stagescholen samen binnen de Gelderse Onderwijsvallei (GOV). Binnen dit partnerschap werken scholen en lerarenopleidingen samen aan een kwalitatief sterke leeromgeving voor studenten. Op iedere school is een opleidingsteam betrokken bij het opleiden en begeleiden van studenten. Deze teams stemmen de begeleiding af en bewaken de kwaliteit van het opleiden.

De kwaliteit wordt bovendien systematisch geëvalueerd. Daarbij wordt onder andere gebruikgemaakt van studentenevaluaties, gesprekken met werkplek- en instituutsopleiders en externe peer reviews. De uitkomsten worden gebruikt om de begeleiding en samenwerking binnen de Gelderse Onderwijsvallei verder te verbeteren.